Archief

Archief voor de ‘Biografie periode Leiden (1949 - 1962)’ Categorie

Je moet je plaats weten

7 juli 2015

De middelste van de eerste vijf kinderen was, ‘n vervelende plaats, mijn twee broers boven me speelden met elkaar en hadden geen behoefte aan een jonger broertje, de twee zusjes onder mij speelden met elkaar en vonden dat jongetjes niet met meisjes moesten spelen. Als ik dan niet mee mocht spelen ging ik het spel wel verstieren, wat meestal uitliep tot een vechtpartij.1952 (14) Later op de dag kreeg mijn vader dan te horen hoe vervelend ik weer geweest was en werden er klappen uitgedeeld. Het was op een gegeven moment een soort ritueel bij het aan tafel gaan, direct als mijn vader thuis kwam, zus Truus die links van mij zat aan tafel begon dan altijd tegen mijn vader te vertellen wat ik nu weer allemaal misdaan had. Ik kreeg dan zonder meer een oorvijg, waarop ik tegen m’n zus zei “vuile leugenaar, of klikspaan” en gaf Truus een stomp met m’n  knokkels op haar bovenarm, waarop ik weer een oorvijg kreeg, daarna was het weer rustig aan tafel. Erger dan dat was; zonder eten naar bed, dat gebeurde ook, bijvoorbeeld als je te laat thuis kwam, en dat gebeurde mij nog wel eens. Ik was namelijk bezig met het maken van een herbarium, leuk, want dat kun je in je eentje doen. Ik had alleen geen horloge en ging erg in het zoeken naar nieuwe plantjes op. Als ik dan langs de Zijlpoort liep zag ik al dat ik te laat was en ik was geen hardrenner dus dat werd weer zonder eten naar bed, hopelijk zonder klappen. En dan maar hopen dat pa nog naar een vergadering moest, dan kwam ma me troosten met een dikke droge boterham. Zin had dat allemaal niet, ik vergat toch weer die tijd en dan stond ik achter de tuindeur door het sleutelgat te kijken, omdat ik niet naar binnen durfde, en ondertussen werd het alsmaar later, soms kwam een buurman vragen wat ik in de poort deed, “o, niets” en ging dan de tuin in. Later ging ik niet meer het huis in door de deur, maar klom ik via de keuken de brede goot in en klom ik door het zolderraampje naar binnen, dat scheelde me klappen, maar stilde de honger niet. Heel vroeger gingen wij, de die broertjes, als we wat gedaan hadden wat niet mocht over de knie, toen we wat ouder werden veranderde dat, gingen we niet meer over de knie en kregen mijn boers geen klappen meer. Op één keer na, wat Leo gedaan had weet ik niet maar hij kreeg klappen en moest naar boven. Dat gebeurde scheldend en vloekend met pa achter hem aan naar zolder, waar Leo hem bij de zoldertrap verwelkomde met een serie oude schoenen en toen die op waren deed hij het luik dicht en schoof er de oude potkachel op, waardoor pa niet meer instaat was boven te komen.

Biografie periode Leiden (1949 - 1962)

De lagere school

30 mei 2015

In die tijd werd er wat afgefokt, door de overvloed aan kinderen kwam ik niet op de jongensschool aan de Os en paardenlaan, maar in een gemengde klas in de gereformeerde school, iets voorbij mijn kleuterschool aan de Lusthoflaan. Ik herinner me dat het behoorlijk relax was, het enige wat in die klas indruk op me gemaakt heeft was het feit dat er een jongetje met zijn vinger vast kwam te zitten in het gaatje voor het inktpotje bovenop de schoolbank. Dat moet dus een heel klein gaatje geweest zijn. Een man, conciërge of zo is ‘n hele tijd bezig geweest met water en zeer en ‘n schroevedraaier.

De tweede klas was veel minder relax, de stinkende oliekachel in de klas bezorgde me ’s winters regelmatig hoofdpijn en juffrouw Meier was een kreng en de klas over vol en ik dyslectisch.

Voor de derde klas verhuisde we, alle broertjes en zusjes, met uitzondering van Truus(?) naar een nieuwe school, de Alfonds Ariënsschool aan de Timorstraat in Leiden.

Biografie periode Leiden (1949 - 1962)

Kleuterschool

29 mei 2015

Naar de kleuterschool ging ja als je 6 jaar was. Naast de meisjesschool aan de lusthoflaan in Leiden was dat, een school met nonnen. Ik had het niet naar m’n zin bij  zuster Selien de oppernon, Zo had ik ‘n tekening niet af (?) en mocht ik er niet uit, terwijl m’n oudste broer Kees buiten op me stond te wachten. Het waren lange banken in de klas en kon ik er niet aan de ene kant uit dan probeerde ik de andere kant, maar steeds kwam ik die non weer tegen, die ik huilend met m’n vuistjes te lijf ging, wat natuurlijk weinig resultaat had. Op m’n verjaardag was ik te veel met m’n cadeau bezig, een mooie raceauto, toen ze hem af wilde pakken bleef ik hem zo stevig vast houden dat het haar niet lukte hem te krijgen, waarna ik dan maar naar de gang moest, kon ik daar met m’n auto spelen, maar dat wilde ik natuurlijk ook niet. “Wees blij dat je bij zuster Selien zit en niet bij mevrouw van den Berg” werd mij altijd gezegd, deze in een wit gewaad geklede vrouw met korte grijze krullen, die het andere klasje bestierde, scheen nog erger te zijn. Ik heb geen idee wat ik daar geleerd heb, meer dan papier vlechten, plakken en tekenen rond heilige plaatjes.

Maria

Biografie periode Leiden (1949 - 1962)

Muziek

7 februari 2014

Radio kreeg kwam in de vijftigerjaren binnen via een loodmantelkabeltje die buiten langs de huizen was gespijkerd. Met een mooie gesoldeerde las werd er een aftakking gemaakt die binnen eindigde in een zwarte bakelieten knop, de zoeker. Hieraan werd de luidspreker met een platte stekker bevestigd. Met de buitenste knop kon je 4 zenders kiezen, met de binnenste knop kon je het volume regelen. zoekerProgramma’s die me nog bij staan waren “de ochtendgymnastiek’, “moeders wil is wet”, “da abbeidsvitaminen”, “kleutertje luister”, “paulus de boskabouter”, “Paul Vlaanderen”, “Loeren aan de hor”. In de zestiger jaren werd het allemaal anders, er kwam een heuse radio die m’n vader ergens op de kop getikt had, een oude Philips, waarop je de zeezender “veronica” kon ontvangen en eveneens zeezenders radio “London” en “Carolin”, BBC “top of the pops” en Radio Luxenburg, pop muziek. Dat had mijn vader volgens mij niet voorzien, want hij vond al die muziek maar herrie. Mijn broers Kees en later ook Leo kregen een Philips Pionier, zelfbouw radiootje in een kartonnen doosje, moesten ze zelf alle weerstandjes, condensatoren enz. er in schroeven, konden ze met een kristal-oortelefoontje muziek luisteren. Volgens mij hadden ze een goedkope uitvoeting met alleen een zoekknop. Schermafbeelding 2012-11-30 om 23.30.17Ik moest het doen met een kristal-oortelefoontje met een germanium-diode en twee sigarenblikjes met een stukje dun vloeipapier er tussen. Dat was behelpen, soms ontving je wat, maar dat kon van alles zijn, Verronica lukte niet.

Hoe rijk je was hing af van hoe oud je was (zakgeld), hoe zuinig en of je rijke peet-ouders had ( geld dat je kreeg met je verjaardag). Leo had het goed getroffen met z’n (peet) oom Eef en hij zat al op het lyceum en kreeg 1 gulden zakgeld per week. Vandaar dat Leo een zelf-inbouw pick-up van Philips kon kopen. Dat was te gek, kon je je eigen (uitverkoop) plaatjes kopen. M’n eerste plaatje, gekocht bij “Gé Hoffenk” aan de Haarlemmerstraat in Leiden was “have I the right” van de Honeycombs. Later ben ik nog met Leo op de fiets naar Amsterdam geweest om daar bij “Concerto”  aan de Utrechtsestraat , 2e hands platen te kopen. Met te weinig geld was dat alleen “help me rhonda” van The Beach Boys. Leo kocht daar volgens mij zijn eerste lp, een kleine van de Everly Brothers.
Op mijn 12e kreeg in van m’n tante “Zuster Gabriël” in het klooster een oude koffergrammofoon met platen. Voor mij was de zus van m’n vader een soort heilige en moest toch wel erg schrikken toen hij opeens erg tegen haar uitviel, omdat ze die snotneus dat dure ding cadeau gaf. Ze bleef er heel koel onder en zei hem “dat hij vast ook wel een keer mocht draaien” hetgeen nooit gebeurt is. Ik heb dat ding nog steeds, met inmiddels een grote verzameling platen, van zoals ik dat noem, mijn moeders muziek. Mijn vader had vroeger niets met muziek, alhoewel hij met kerstmis wel eens liedjes op z’n mondharmonica speelde. Begin Jaren 60, we woonde reeds in Hoogeveen, kwamen de Beatles op, dat paste ideaal in mijn opkomende pubertijd, zo kon ik me “legaal” afzetten tegen mijn vader, al zouden de Rolling Stones beter gepast hebben. Het was toen de tijd zo, je was voor de stones of de Beatles en als ik ergens voor was, was de rest van de familie tegen, met uitzondering van mijn moeder. De rest van voldoende leeftijd was voor de Stones dus, wat vreemd was omdat Leo, de broer boven mij toch altijd van de softe muziek was. Alle platen van de Beatles kocht ik, ik had een Beatle jasje en was lid van de fanclub. Hoogeveen was niet ideaal, er was in het begin maar een kleine platenzaak, Beekman aan de Schutstraat, die vooral Nederlandstalige muziek verkocht, en aangezien je het eerste jaar in Hoogeveen Veronica niet kon ontvangen en de meeste gereformeerde kinderen geen pick-up mochten hebben, werden tophits niet goed verkocht en kon je ze twee maal per jaar voor weinig (75ct) in de uitverkoop kopen. Later werd dat beter en kwamen er een paar zaken bij; Ab Strijker aan de kerkstraat, met hoofdzakelijk Nederlandstalige muziek en J en D aan de Hoofdstraat, daar gingen wij altijd heen, al was het alleen voor Anita, een mooie blonde uit Hollandseveld, die altijd op platen-pikkies (de zwart plastieken inzet stukjes voor het midden van de plaat) zat te kauwen. Broers en zussen namen regelmatig vrienden en vriendinnen mee om plaatjes te draaien.

Biografie periode Leiden (1949 - 1962)

Zwemmen

23 november 2013

Zwemmen was een favorite bezigheid  van me. In de vierde klas deed ik het voor het eerst, tijdens schoolzwemmen. Eerst droogzwemmen en daarna in het kikkerbadje van “de Overdekte”, een zwembad aan de Haarlemmerstraat in Leiden. Dat zwemmen in dat kikkerbadje was vervelend omdat er maar 50 cm water in zaten ik besloot me te voegen aan de andere kant van de waterval, waar grotere jongens zwommen en het water me tot de kin kwam. Daar leerde ik me zelf zwemmen, anders dan andere, op m’n zij, naar mij later werd verteld, de schippersslag. Ik haalde wel de 3 diploma’s, maar in m’n vijetijd zwom ik altijd de schippersslag. Ik leerde te duiken van de “hoge” van neef Chris die zei: “je laat je gewoon naar voren vallen dan gaat het altijd goed”, helaas plat op m’n buik. Nee, ik hield me meer onder water op, ik kon van iedereen winnen in het onderwater zwemmen. Het 4 meter diepe zwembad speurde ik zigzaggend op zoek naar kettinkjes en ander goed. Op ‘n keer vond ik op een dag, een gouden zegelring. Nicht Sarie die in het zwembad werkte had vernomen dat men het hele zwembad had afgezocht naar die ring, vandaar dat er op een avond om ‘n uur of acht werd aangebeld door een student, die de eigenaar van de ring zou zijn. Ik werd uit bed gehaald en overhandigde de ring, hij was zeer blij en vroeg of ik graag las, nee dus, wat ik dan wel leuk vond. Een stoommachine vond ik wel mooi. De student vertrok, om om een uur of 10 terug te komen met een Fleismann stoommachine van 27 gulden, een fiks bedrag voor die tijd. Ik kreeg het ding overigens pas de volgende morgen.stoommachine Fleischmann

De winter van 1960 was zo koud dat alle grachten in Leiden dicht lagen en dat er overal geschaatst kon worden en dat gebeurde ook. Wij, m’n twee Kees en Leo en ik, waren lid van de “Golfbrekers”gingen elke donderdag na school een uur zwemmen. Die dag ging ik alleen met neef Chris wij waren met twee andere de enige in het zwembad en mochten, omdat er in het meisjes uur erna ook maar een paar kwamen opdagen, ook dat uur blijven zwemmen.

We kregen altijd een dubbeltje mee om na het zwemmen, bij de “Drie vissers” tegenover het zwembad, een zak patat te halen. Mosterd was gratis mayonaise koste 5 ct.

De hoge betegelde kleedruimte van de overdekte klonken als een klok en toen in 1957 The banana boat song van Harry Bellafonte een hit was werd er met z’n alle luidkeels “Le-o, de Le-o-o-o gezongen, wat Leo niet leuk vond.

Zomers zwommen we in openluchzwembad “de Zijl”, een klein rechthoekig zwembad, het diepe water gescheiden met een brug, zandbodem, troebel water uit de “Zijl”, waar ook de kikkers vandaan kwamen. We vermaakten ons er prima.

In de Zijl

In 1960 opende er in Leiderdorp een groot openlucht zwembad, modern, veel gras er omheen en een winkel waar je frisdrank en helemaal nieuw “Kroky”chips kon kopen, met een los in elkaar gedraaid zakje zout er in.

De laatste jaren in Leiden gingen we op de fiets naar zee, Katwijk of zelf Scheveningen.

Ik woon nu 20 jaar in Deventer en zwem bijna nooit meer, daarvoor had in perioden dat en s’zomers elke dag ging zwemmen, bij het laatste wedstrijdje onderwaterzwemmen won ik nog steeds met 1,5 x diagonaal het wedstrijdbad.

Biografie periode Leiden (1949 - 1962)

Politie 1

28 september 2013

De eerste keer dat ik met de politie in aanraking kwam was ik 5 jaar. In onze straat was een perkje van pak hem beet 10 x 10 meter in het midden een opgemetselde vierkante plantenbak, verder gras en rozen én een hekje met prikkeldraad er omheen. Nu zat er aan de kant van de melkboer een hekje, zónder prikkeldraad, welnu daar was ik gewapend met een leeg lucifersdoosje, overheen geklommen en op zoek gegaan naar onze-lieve-heers-beestjes. Die zaten er veel en ik had het dus druk, totdat me ineens gevraagd werd wat we aan het doen waren. Ik schrok me lam, twee politiemannen stonden daar bij het hekje en de enige manier om daaraan te ontkomen was… over het prikkeldraad. Helaas, toen ik met gescheurde benen de vaste grond weer onder m’n voeten voelde, stonden de klapluizen ook naast me. “Heb je je pijn gedaan” vroegen ze, “nee” zei ik met m’n klompjes vol bloed. “Niet meer doen hê” zeiden ze en vertrokken. M’n moeder die even wat groenten was gaan halen bij de groenteboer in de Trompstraat, spoede zich naar huis toen ze hoorde dat ik bijna door de politie was opgepakt, want zo ging dat in die tijd, de geruchten deden al haast de ronde voordat er iets gebeurd was. Ik kreeg een zware straf, jodium op m’n opengereten benen.
Het heeft nog jaren geduurd voordat ik een politieman kon zien zonder te gaan shaken.

klompjes

Biografie periode Leiden (1949 - 1962)

Leiden, sint Nicolaas

27 juni 2013

Het was een feest waarvan je bijna niet kon slapen en waarvoor je 6 december heel vroeg opstond, om je te vergapen aan de verpakte cadeau’s die op tafel stonden maar waar je alleen aan mocht komen als iedereen er was. Bromtollen, blokken, auto’s, poppen, spellen, tollen, ballen en ander speelgoed stond er dan voor iedereen uitgestald, almede suikergoed(poppen), pepernoten en speculaas. Ik herinner me dat ik op een keer een een spel kreeg “de school gaat uit”, wat je natuurlijk niet alleen kon spelen, maar niemand had natuurlijk tijd om te spelen, iedereen had het te druk met hun eigen speelgoed. Ik in tranen, dat gebeurde wel vaker maar m’n moeder zag het probleem en kwam met een van de mooiste cadeaus die ik ooit gekregen heb; een van de buurjongen, Rob de Vries, geweest pakhuis. Hier heb ik me nog jaren mee vermaakt.
Een van de rituelen in de Sinterklaastijd  was het schoenzetten, liedjes zingen bij de kachel en natuurlijk ging er een wortel en ‘n tekeningen in de schoen. Die tekening werd serieus gemaakt en afgelakt met vernis(!) ’s Morgens vond je dan een chocolade muis of kikker of suikerbeest in je schoen. Ook werd er wel eens gestrooid, dan werd er op de deur gebonsd en gooide een arm met een zwarte handschoen pepernoten in een of andere hoek. Ik was dat vervelende jongetje dat niet direct naar het snoepgoed rende, maar naar de deur rende om te kijken wie er aan die arm vast zat. Ik heb m’n vader nooit kunnen betrappen, waarschijnlijk dook hij weg achter de jassen van de kapstok of stond hij inmiddels in de voorkamer. Ik werd ook gelijk weer weggetrokken door moeders of broers.sinterklaas Verder werd er weleens een student ingehuurd die zich als Sinterklaas voor deed, leuk en spannend. Ergens denk ik dat dat georganiseerd werd door m’n Tante Rie en Ome Simon, omdat die er ook altijd bij waren. Natuurlijk kwam hij ook op school en ik ben ook een paar keer in de stadsschouwburg geweest, dat ging volgens mij uit van het werk van mijn vader. Ik heb, naïef als ik was, vrij lang in de sint geloofd.

Biografie periode Leiden (1949 - 1962)

Hoogeveen Pasen

1 april 2013

Eind oktober 1962 waren wij vanuit Leiden naar Hoogeveen verhuisd, we kwamen in een blok van 4 (bewoonde) huizen midden in een onbewoonde nieuwbouwijk te wonen. We waren als  katholieke “hoogproaters” niet zo geliefd bij de Venestraters, de eerste bewoonde straat richting centrum, een soort achterbuurt leuke witte huisjes met rieten dak en nog geen riolering, de  gemeente kwam er tonnetjes legen. Er waren regelmatig vechtpartijdjes en de koeien van een naburig weiland waren al een keer bij ons de tuin in gejaagd. Ook werd er nogal wat vernielingen  in de nieuwe wijk aangericht. Zo kwam er een keer een uitvoerder bij ons klagen dat er weer roet’n ingegooid waren. Mijn moeder die de Drentse taal nog niet machtig was, vroeg de man toen  waar ze dan al dat roet vandaan haalde. Je begrijpt dat we argwanend opkeken toen men in januari begonnen met het aanleggen van een enorme vuilnisberg op nog geen 50 m afstand van  ons huis. Oud meubilair, autobanden, matrassen en ander grootafval. en die berg die groeide en groeide tot we het op een gegeven moment genoeg vonden, toen hebben we met vorken en  harken de komplete berg vlak getrokken. Dit deden we allemaal zonder onze ouders te verwittigen, en toen er de volgende dag iemand aan de deur kwam en zei dat “ze” de poasbulte hadden  neergehaald, wist mijn

Gerart bij paasbultmoeder nergens van en dacht dat ze de postbode hadden neergeslagen, “toch niet die rooie?” ,die ze graag mocht, was haar reactie. Toen pas kregen we te horen wat de  eigenlijke bedoeling van de berg was, een traditionele paasbult, die 2e paasdag zou worden aan gestoken.Later op die dag, toen we voor het huis aan het spelen kwamen kwam er een “grote  jongen” op ons af die broer Leo op de grond drukte en begon te slaan, het lukte me niet hem er af te krijgen, maar pa was gelukkig thuis. pa geroepen, die kwam naar buiten en riep op een  meter of vijf afstand dat hij daar mee op moest houden anders zou mijn vader de politie er bij halen. Mijn vader was een lafaard, hij durfde niet eens dichterbij te komen. Pas nadat mijn vader  drie maal had herhaald wat hij net had gezegd stond de jongen op sloeg de bril van mijn broer van zijn hoofd en vertrok langzaam. De bril was kapot, mijn vader is daarmee naar de politie  gegaan en de jongen, die Menno Middenveld bleek te heten, moest de bril betalen, dit deed hij in vijf termijnen van een week. Toen hij het vierde deel kwam betalen vroeg hij of het vijfde deel  kwijtgescholden kon worden, waarop mijn vader zei dat dat niet kon, had hij maar niet zo dom moeten zijn. Mijn vader was ook niet barmhartig

De jaren er na, toen we wat geacclimatiseerd waren en we de taal verstonden, hebben we altijd hard mee geholpen met het opbouwen van de paasbult, maar wel een heel stuk verder van ons huis af
.

Biografie periode Leiden (1949 - 1962)

De zin in het leven is de zin die je er in hebt

3 februari 2006

Leiden

Ik werd geboren op de 27e april 1949 in Leiden als 3e zoon van Gerard Bot en Alida van der Valk. Er zouden nog vier zusjes en twee broertjes volgen……… Ik werd geboren in de Buys Ballotstraat 63, het huis van mijn vaders moeder.

Het was vlak na de oorlog en iedereen was arm, alle jonge mensen trouwde en wilde een huis. Daar was het land nog niet op berekend, vele goederen waren nog op de bon en de regering deed z’n uiterste best om aan de vraag naar huizen en waren te voldoen. Mijn vader werkte als bakker, maakte lange dagen, ’s morgens heel vroeg beginnen met bakken en daarna venten tot ‘n uur of vier voor een mager loontje. Mijn moeder en zijn moeder waren in het kleine huisje ongewild op elkaar aangewezen, hetgeen naar verluid niet altijd zo goed ging.

Mijn moeder met mijn broers Leo en Kees achter mijn geboortehuis
Toen ze ‘n jaar na mijn geboorte een zelfstandige bovenwoning kregen aangeboden hoefde ze niet lang te denken, tenslotte was het vierde kind ook al op komst. Er werd verhuist naar de marijkestraat 16a.mareikestraat

Niet voor lang overigens Truus werd daar geboren en Nel, die anderhalf jaar later zou komen redde dat net niet. Volgens mij via de kruidenier van m’n oma, die nog steeds boodschappen kwam brengen op z’n brommer, kregen we een eensgezinswoninkje aangeboden in de zeeheldenbuurt, waar we zijn zo’n beetje december 1951 naar verhuisde. De Heemskerkstraat 102 leefomgeving was een rijtjeshuisje met een tuin en 3 slaapkamers. Op dat moment lag mijn moeder in het Elisabeth ziekenhuis in afwachting van de geboorte van Nel. Dat gebeurde in het ziekenhuis omdat Leo rode hond had en deze ziekte schadelijk voor de baby kon zijn. We zijn in de Heemskerkstraat blijven wonen tot alle kinderen geboren waren. Elke keer als er weer een op dook werd er door m’n moeder als goed katholieken tot Maria gebeden voor ‘n nieuw kindje. Vrij ondankbaar eigenlijk, Maria liet dan ook niet direkt een nieuw broertje of zusje komen, om de anderhalf jaar kwam er een.

De eerste herinneringen
De eerste dingen die ik me herinner zijn de allerdaagse dingen die elke keer weer terug keren, zoals; pappa die thuis komt van zijn werk en je dan liefdevol optilt en je een zoen geeft. Jammer is wel dat je daarvan vooral onthoud dat hij ontzettend naar sigaret rook en een vreselijke stekelbaard had. Een van de eerste woorden na mamma was waarschijnlijk “Opa”. In de voorkamer hing boven de divan een foto in houten lijst van hem en regelmatig werd mij gevraagd wie dat was. En vooral omdat mamma dat zo leuk vond zij je dan “Opaaa!” Het huis waar ik me in bevond had zijl op de grond en een kleed in het midden, althans in de voorkamer aan de straatkant. Achter de vitrage en de sanseveria’s vond je een rookstoel, een divan en daar tegenover meestal een rieten wiegje. Midden in de kamer een ronde tafel en in de vensterbank porseleinen beeldjes van poesjes, ‘n hond, ‘n nar, een pijpenstoel en in de hoek bij de rookstoel een tafereeltje met een brandende lantaarn. In de hoek daartegenover was een schuine schoorsteen met gekleurde steentjes, zonder kachel. Er was en deur in de gang en twee schuifdeuren met glas in lood naar de achterkamer.

Daar gebeurde het allemaal, daar stond een tafel, de kachel en was de distributie radio. In deze kamer hing een groot Christus beeld een groot Christelijk schilderij en een Mariabeeld. Rechts onder het Mariabeeldje zaten de bakelieten knoppen van de distributie, een grote knop voor de 8 zenders die je er op kon krijgen en er onder zat een kleine knop voor distributie het volume. Onderin zat een kleine zwarte stekker met platte contacten die met een bruin  gevlochten snoer verbonden was met de houten luidsprekerbox. (buiten aan de gevel zat een  kabeltje in een loodmantel die alle huizen verbond met de radiocentrale) Als je nu, terug in  de kamer, naar rechts keek zag je door de dubbele tuindeur de tuin. Daarnaast in de hoek de  deur naar ‘n klein halletje met rechts de wc en links het aanbouwkeukentje. Verder naar  rechts, langs het theemeubel, was de trapkast met borden, brood en broodbeleg. Onder de  trap was een bak getimmerd voor het speelgoed. Helemaal rechts was de deur naar de gang,  om het rondje af te maken.
De winters waren koud, ik heb wel 20 graden vorst in de nacht meegemaakt, dan moest de  de potkachel hoog opgestookt worden en de volgende morgen maar hopen dat de kachel  nog brandde. Kolen moesten we uit de schuur halen, alwaar ze door de kolenboer  in het kolenhok werden gedropt in zakken van ‘n halve mud. Dan liepen er ‘n hele rij zwarte  mannen, waaronder overbuurman  Langezaal, met ‘n zwarte zak op hun hoofd en een volle  op hun schouders, dat hele end door de poort naar ons huis. En zij waren niet de enige  dieEtna-Sun aan huis kwamen. Om maar eens te beginnen met een andere brandstof  leverancier, de petrolieman, met een metalen-ton met een kraantje, op  een  handkar. Was je niet thuis, geen nood, dan zette je je petroliekan  buiten met wat  geld eronder. De melkboer, die stonk wat minder daar  legde je een briefje voor  klaar in de gang, hij had een loper, een sleutel  die op alle sloten paste, hij kwam  binnen, vulde de melkkoker, schreef  de schuld in een boekje en vertrok weer.  Verder kwamen er nog de  groenteboer, de aardappelenboer met wagen en het  oude paard Kees, die  kreeg onderweg van al de kinderen van de klanten oude  broodkorsten  toegestoken. dan hadden we een visvrouw die met een handkar    helemaal uit Katwijk kwam gelopen en een visboer met een mooi gelakte  brommerbakfiets die de huisvrouwen riep met de kreet kiep-kiep-kiep-  kiep-kiep.  Natuurlijk kwam er ook een bakker, maar omdat pa bakker  was was die bij ons  aan het verkeerde adres, al gingen we af en toe wel  eens een brood kopen bij  bakkerij Degenaars, of voor 5ct gist dan kon pa  zelf brood bakken. Verder kwam  er aan de deur de scharensliep en  allerlei verkopers van borstels, dekens, potten  en pannen en wat al niet  meer. En natuurlijk kruidenieren, alsof de twee  kruidenieren op de  hoeken van de straat Lepelaar en Verstraten nog niet genoeg  waren,  kwam er ook nog ene Labortus op een brommertje, uit de straat waar  oma  woonde…… en er kwam nog ene “oom” Adriaan, man van ‘n  vriendin van m’n  moeder uit Voorschoten leuren om wat te mogen  leveren. We waren arm, af en toe  kreeg m’n moeder wat geld of een jurk  om naar een feest te gaan, van d’r zus, mijn  tante Tien die een rijke man,  oom Piet, getrouwd was. Van iedereen die oudere  kinderen hadden  kregen we kleren en ik moest altijd de kleren van mijn oudere  broers  dragen. M’n moeder was wat dat betreft blij met me want ik deed nooit  moeilijk, toen ze op ‘n gegeven moment een aantal 2e hands hansops  kreeg wilde  Kees en Leo die beslist niet dragen, voor mij waren de  broekhemden met  achterklep geen bezwaar. Mijn moeder kwam uit een  gezin van 10 meisjes en één  jongen. M’n vader had 1 broer en 3 zussen,  waarvan er twee in het klooster zaten. Als mijn vader en moeder jarig  waren (4 dagen van elkaar) werd dat altijd flink gevierd. ’s avonds was  iedereen er. Er was koffie met taart, advocaat met slagroom voor de  dames en jenever of ‘n citroentje voor de heren, die ook ruim voorzien werden met sigaren. Wij mochten opblijven tot na “het klokje van zeven” met Paulus de boskabouter. Het was koud, dus beneden de pyama’s aantrekken en dan naar boven, door de gang, waar zoveel winterjassen op de kapstok hingen dat je er niet meer door kon. maar dat hoefde ook niet want wij gingen naar boven, gauw je avondgebedje op je knieen voor je bed en met zere ogen van de rook, slapen gaan. Boven waren drie slaapkamers achter ‘n grote voor pa en ma en voor twee kleine onder het schuine dak. Links was de jongens kamer, waar ik de eerste jaren met Kees en Leo sliep. Aanvankelijk sliep kees in een metalen ledikant onder het raam, Leo in een houten bedje rechts en ik in ook zo;n bedje links. Leo sliep altijd schuddebollend in, vaak bonkte dat tegen het triplex van het ledikantje. Voor het geval we moesten plassen, stond er in het hoekje rechts achter de deur op de overloop een stenen pispot. deze pot werd naarmate het gezin groeide tot overlopens gevuld. Leo herinner ik me nog, plaste altijd met scheutjes, dat zal wel met dat schuddebollen te maken hebben. In het andere slaapkamertje rechts sliepen Truus en Nel, met links boven de komode een indrukwekkend schilderij van twee kinderen alleen in het bos lopend over een balk over een afgrond of rivier met één engel erachter. Er stond een tekst bij als “savond als ik slapen ga komen me 14 engeltjes na, 2 aan het hoofd eind, twee aan het voeten eind, twee aan m’n linker zij, twee aan m’n rechterzij, twee die me dekken, twee die me wekken en twee die me wijzen naar het hemelsparadijzen”, of zoiets. Baby’s sliepen altijd in eerste instantie bij pa en pa op de kamer, voor een eventuele nachtvoeding. Dat hele baby gebeuren was overigens met uitzondering van de bevruchting, een taak van mijn moeder, Pa tilde zoiezo geen baby’s jonger dan een jaar op. Na een jaar moedermelk werd er weer gezocht naar een bedje of ledikant. Wij hebben met z’n drieën jaren op dat ene kamertje geslapen, omdat na mij twee meiden kwamen en Frans voor het gemak ook bij de meisjes gestald werd. Pas na Ida toen Ton 1 jaar was, verhuisde Kees en Leo naar een op zolder getimmerd kamertje, maar zover zijn we nog niet. Eerst ging mijn ledikantje naar de meisjeskamer en kwam er een bed te staan voor Leo, Ik kwam in Leo z’n ledikantje, met oliefantje. Later verdween mijn ledikantje en het bed van Leo om plaats te maken voor een tweepersoons houten bed. Ik verkaste naar het bed van Kees. Onder dat bed zat een gat in de vloer, waar weleens een knikker in verdween. Toen Leo op z’n verjaardag een metalen kraanwagen met rond magneetje had gekregen viste we er spijkers, spelden, pinezes maar helaas geen schat uit op. Naast de deur zat een hangkast, die nogal vreemd muf rook. Volgens zeggen had de vorige bewoner er kunstbloemen in opgeslagen, die ze zelf gemaakt had. Op een zomerse avond wilde we nog wel eens wat keten voordat we gingen slapen. Normaal kwam pa als, hij thuis was, naar boven en deden we natuurlijk net of we sliepen. Niet deze keer, want Pa had zich voor dat wij gingen slapen, in de kast verstopt. Midden in het keten ging langzaam de kast open. We schrokken ons wezenloos. Hij vertelde dat hij door een gat in de muur in de kast was gekomen. We gingen snel slapen, maar de volgende dag ben ik wel op zoek gegaan naar dat gat, dat ik uiteraard niet vond. Toen Kees zes jaar was ging hij naar de kleuterschool. Daar leerde hij van een krant een hoedje of een bootje te vouwen. Wij Leo en ik wilde dat ook wel leren. Wel Kees had het volgende bedacht; de gene die het eerst tussen de bedden poepte zou hij het leren. Gevolg, toen ma de volgende dag het slaapkamertje kwam doen vond ze het wel heel erg stinken. De oorzaak was gouw gevonden, twee drollen tussen het bed. En Leo, ik was het er niet mee eens, kon sinds dien ook ‘n bootje vouwen, Op dat kamertje speelde zich de vreemdste rituelen af, zoals Kees en ik die na het verbranden door de zon (dat gebeurde elk jaar wel eens) bij elkaar de vellen van de rug af trokken. Leo deed daar niet aan mee, evenals bij het muggen pletten. Muggen werden niet dood geslagen, nee ze werden levend gevangen en dan in de muggenpletter vermorzeld. De muggenpletter was het uitzet ijzer van het raam, dat bij het scharnier twee schuine kanten had die in elkaar sloten en waar de mug tussen gelegd werd. En dan had je nog het uitzicht, tegenover ons in zo’n zelfde huis in zo’n zelfde kamertje sliepen Ria en Willie de Jong. We waren er alle drie gek op, maar zij gingen naar bed als ik naar bed ging en Kees en Leo kwamen ‘n half uur later. We correspondeerde met elkaar in gebaren taal. Toen op een gegeven moment de meisjes hun babydols gingen oplichten kon ik niet anders dan de broek laten zakken. Er was echter een probleem, als ik hem gewoon liet zakken zouden ze er niets van zien. Ik moest dus op de vensterbank kruipen me vast houden en m’n broek omlaag trekken. Dat was hel moeilijk, ik viel doorlopend van de vensterbank en of ze wat gezien hebben is de vraag, maar het was vast een geweldig optreden. Deze keer niet, maar het gebeurde regelmatig dat ik of zij wegdoken omdat er een boze buur van beneden een bestraffende wijsvinger opstak. Maar zoals gezegd Kees en Leo verhuisde, nadat Vera geboren was, via de schuiftrap naar boven, waar pa een kamertje had getimmerd.Voor mij werd het een stuk minder leuk, ik kreeg twee kleine broertjes op de kamer, waardoor er op de kamer regelmatig een penetrante urine lucht hing. Op de overloop stond een enorme linnen kast en aan het eind van de trap, voor de deur naar het balkon (boven de keuken) was een wasbak waar we onze tanden konden poetsen.Veel druk stond daar niet op, want ik poetste nooit mijn tanden, omdat ik niet van pepermunt hield. Wat wel moest, althans in de winter was ‘n lepel levertraan. Ik was wel een buitenbeentje, allemaal hielden ze van pepermunt en vonden levertraan vies. Ik daarintegen, stond vooraan als de vierkante fles levertraan tevoorschijn werd gehaald.

levertraan Een keer per week, zaterdags kregen we een  was beurt, beneden in  een teil, meestal werd  mijn  moeder bijgestaan door nicht  Lies(beth) en ook kwam oom Cor (de  geestelijk gehandicapte  broer  van mijn  vader) vaak langs, Hij hielp niet. De kunst  was in eerste  instantie alle  kinderen achter  elkaar in het zelfde water te wassen.  Later  eerst de meisjes, nieuw water, dan  de  jongens. ’s winters  werd er iedere keer een  scheut warmwater uit de zak-ketel bij  gegoten.  Langzaam kregen m’n ouders het  wat beter, dat was te  merken aan bijvoorbeeld  de aanleg  van een douche-bak in 1956  boven  met een geiser in de keuken. Maar lang  douchen was er  niet  bij, omdat pa dan  beneden de geiser uit deed. De geiser zat  boven  de granieten gootsteen,  daar onder  was een kastje dat enorm naar  de petroleum  stonk, wat een wonder ook daar  stonden 2  vierkante  metalen bussen met tuit en handvat voor de brandstof van de  petroleumstellen. In dat kastje stond ook de flitspuit met DDT tegen muggen en mieren. Pa  had een klein oventje hetwelk gewoon boven op het brandende gastel werd gezet, zo kon hij  krentenbrood bakken, want bij gekocht krentenbrood had je een fiets nodig om van de ene  krent naar de andere te rijden, zei hij altijd. En het moet gezegd hij bakte altijd overheerlijk  krentenbrood. Het brood werd ook gebruikt om met overbuurman de Jong, een andere dan  recht voor ons, te ruilen voor vuurwerk bij oud jaar. Die buurman werkte namelijk bij de Kat  vuurwerkfabriek. Verder bakte me vader cake en voor verjaardagen taart en voor pasen een  paashaas met een ei op zijn buik. Verder maakte mijn vader borstplaat in verschillende  smaken, daar had hij een rode rubberen mat met gaatjes voor. En bij al dat gebak bleven er rest  producten over, zoals schalen met cake-beslag, randjes cake randjes borstplaat,  slagroomgardes en kruimels, om alles werd “gevochten” er bleef niets over.  Maar normaal was pa er zondags om het draadjes-vlees te braden de de jus voor de hele week te maken, nauw-ja tot en met donderdag want vrijdags was er vis met botersaus en zaterdags waren er pannenkoeken of bruine-bonen met stroop of wentelteefjes, oud brood waarvan de korsten waren verwijderd en waar de boterhammen dan door melk, suiker en kaneel werden gehaald alvorens ze op te bakken in de koekenpan. We vraten onze buik van te voren al vol aan de verwijderde korsten, zelfs Kees, die normaal de korsten van zij boterhammen stiekem onder de rand van zijn bord weg moffelde. Ik hield ook niet van alles, zoals elk kind lustte ik geen witlof, andijvie en spruiten, maar het moest gegeten worden en dat deden we ook, want je had honger en veel was er niet, het was ook altijd vechten om de bruine korstjes onder in de aardappelpan. Af en toe was er dan toch iets over en dat vond je de volgende dag dan terug in de soep, bijvoorbeeld de heerlijke bloemkoolsoep op de minder lekkere bonensoep. Zondags hadden we zogezegd dus draadjes-vlees, maandag en dinsdag meestal geen vlees woensdag gehakt en af en toe worst bij de boeren kool, gebakken spek bij de zuurkool en de hutspot. Vlees op het brood was er zaterdag avond en zondag, ’s maandags was er dan meestal niets meer over. Eieren waren er wel vaker omdat we in de tuin een kippenhok hadden. Die werden gebakken, gekookt, maar ook rauw gegeten , opgeklopt met suiker en soms tot Haagsebluf verwerkt. Ik herinner dat mij gevraagd werd een paar eieren uit het hok te halen, ik was misschien 6, in ik pakte zoals ik dat van mijn vader had gezien en ik al vaker had gedaan, een ei onder een kip vandaan. Deze kip had echter andere plannen met die eieren en vond het niet goed dat ik ze mee nam, het beest viel me aan en ik kwam even later zonder eieren en met bloedend gezicht terug in de keuken. Het volgende weekend stond er kip op het menu. Mijn vader was daar niet zo goed in, dat slachten, dat liet hij altijd over aan buurman Dijt en later ook aan “ja, pik” buurman Sstokvis. Kippen kwamen achter het huis achter het huis om het leven voor konijnen had pa een adresje, waar hij mij ook een keer mem mee nam, waarom snap ik niet helemaal, want het was geen leuke ervaring, het konijn kreeg van de man  een klap met een stok waarna het konijn er vandoor ging en achter wat kisten dood (?) weer werd gevonden. De man werd betaald met de vacht van het konijn. Jonge katten, die we op een gegeven moment hadden gingen naar meneer “onderwater” of moet ik zeggen meneer “Gaslek” daar er op een gegeven moment, experimentje van Buurman Stokvis, katjes zijn omgebracht in de vuilnisbak met een gasslang er op. De gasmeter zat achter het kleine deurtje op de gang, vlak bij de buitendeur en in de voorkamer zat daardoor een klein kastje in de hoek. toen wij in de woning kwamen was de gasmeter vervangen, van een dubbeltjesmeter naar een meter waar een meteropnemer het geld kwam ophalen. Dat was een stuk makkelijker want bij een dubbeltjesmeter moest er iedere keer weer voor een hoeveelheid gas een dubbeltje in de meter gestopt worden, geen dubbeltje , geen gas. Tegenover de gasmeter zat  de elektriciteit-meter, mijn vader heeft op een gegeven moment nog problemen gehad omdat er een klein gaatje in de meter zat, waarmee je met een speld het wieltje zou kunnen stil zetten. Er waren buiten de lampen maar weinig elektrische Stozuiger apparaten; de stofzuiger is het enige wat ik me kan bedenken. Later kwam er  de wastobbe met motor bij, daar moest een stopcontact met aarde in de  keuken voor aangelegd worden. Telefoon was er ook niet, was er paniek dat  moest je naar kruidenier Verstraten op de hoek om te bellen, later kon je ook  bij de buren twee huizen verder, Eradus terecht. Plastic was er die eerste  jaren ook niet, het eerste wat in me op komt was het doorzichtige plastic van  ’n meter hoog was m’n vader tegen de muur in de kamer spande, met een mooi afwerklatje er bovenop, om het behang te sparen tegen het geweld en het vuil van de kinderen. Toen ik 7 werd kreeg ik een “grote” race auto van zacht plastic, maar dat was bij nader inzien toch waarschijnlijk rubber, omdat dat ding na een halfjaar erg ging crakeleren en erg plakkerig werd. Doorgaans was het speelgoed van hout of metaal, blokken, Dinky Toys en de meisjes poppen van stof en cellofaan. ’s zomers bouwde we met blokken gangen, met lucifersdoosjes vingen we vliegen en die lieten we dan los in die gangen, waar raampjes met cellofaan in zaten zodat de vliegen kon volgen, maar ondanks dat we goed voor ze zorgde, we voerde ze suiker wisten ze altijd wel een gaatje te vinden om te ontsnappen.

WORDT VERVOLGD

Biografie periode Leiden (1949 - 1962)